Vind hier het gewoon buitengewone verhaal van
lex
ook een buitengewone amateurkunstenaar.
theater
LEX
"Mijn liefde voor theater begon op de middelbare school, in 4 havo."
Wat is jouw amateurkunst?
Mijn liefde voor theater begon op de middelbare school, in 4 havo. Voor het vak Nederlands maakten we een toneelstuk over de wereldsituatie. De docent had het stuk bedacht en ging het met ons instuderen. Ik speelde een soort narretje met een dobbelsteen. Wat me vooral raakte, was niet zozeer het spelen zelf, maar het beeld van die docent die met mensen aan het ‘toveren’ was. Hij bracht iets in beweging. Dáár ging ik op aan.
Dat gevoel liet me niet meer los. Ik ben daarna veel gaan spelen, schreef me in voor vooropleidingen, onder andere aan de Academie voor Expressie in Utrecht – soms ingeloot, soms uitgeloot – en volgde lessen bij verschillende centra voor de kunsten. Het spelen werd een belangrijk onderdeel van mijn leven.
Na veertig jaar ben ik nog steeds liefhebber, maar inmiddels ook professional. Ik ben mijn brood gaan verdienen met theater: ik geef les aan studentenopleidingen, regisseer en maak jaarlijks voorstellingen met amateurspelers. Het spelplezier is altijd gebleven, alleen is mijn rol in de loop der jaren breder geworden.
Wat brengt amateurkunst onze samenleving volgens jou?
Acteren heeft een enorme impact gehad op mijn persoonlijke ontwikkeling. Het gaf me de ruimte om mezelf te onderzoeken, te experimenteren op de vloer en te ervaren hoe je dichtbij en juist weer verder af van mensen kunt komen. Amateurkunst gaat voor mij over gemeenschap, identiteit en verbinding.
Die gemeenschap bestaat niet alleen uit spelers. Het zijn ook de cirkels die rondom theater ontstaan: de parkeerwacht bij het dorpshuis tijdens een festival, de mensen achter de bar, het publiek dat ieder jaar terugkomt. Alles en iedereen hoort erbij. Het is een continue dialoog. De helden staan misschien op het podium, maar soms is de ster het publiek, of een kostuum, of iemand die achter de schermen alles mogelijk maakt.
Lange tijd dacht ik dat ik vooral speler of regisseur wilde worden. Het docentschap riep in eerste instantie weerstand op. Maar toen ik ’s avonds bij het Nationaal Theater met jongeren werkte, ontdekte ik iets essentieels. We werkten daar niet product- of resultaatgericht. Het ging om ontwikkeling: wat iemand persoonlijk meemaakte, hoe krachtig en gretig jongeren het spel gebruikten voor zichzelf. Dat moment herinnerde me eraan: spelen ís persoonlijke groei.
Vanaf dat moment werd regisseren voor mij een dubbelrol. Enerzijds iemand uit de comfortzone halen, anderzijds stilstaan bij wat iemand net gedaan heeft en de waarde daarvan benoemen. Het echte, het persoonlijke dat iemand van zichzelf in het spel legt, dát is waar amateurkunst in de samenleving zo’n grote betekenis heeft.
Welke andere amateurkunstenaar zou je graag een podium willen geven?
Mijn dochter deed ooit mee aan een project waarin jongeren konden snuffelen aan het makerschap. Ze zocht een acteur en ik stak mijn vinger op. Opeens stond ik weer zelf op de vloer: teksten onthouden, zoeken, aftasten. Het was bijzonder om als oud-docent weer in die verkennende rol te stappen en te ervaren hoe kwetsbaar en waardevol dat proces is.
Daarnaast geef ik natuurlijk letterlijk een podium aan de spelers met wie ik werk in Deventer. Het is ongelooflijk leuk om samen voorstellingen te maken, te onderzoeken hoe je met tekst omgaat en hoe je je lichaam gebruikt. Zij maken gebruik van mijn professionaliteit als regisseur en docent, maar tegelijkertijd ben ik zelf ook continu aan het zoeken en leren. Die gelijkwaardigheid houdt het levend.
Wat heb je nodig om te floreren in je amateurkunst?
Voor mij is het belangrijk dat we, zeker binnen opleidingen, niet alleen zoeken naar de identiteit van iemand als maker, maar ook naar de verbinding met de samenleving. Welke waarde brengen we met kunst? Welke beweging veroorzaken we? Dat vraagt om luisteren, kijken en observeren wat er om je heen gebeurt.
Initiatieven zoals een Dag voor de Amateurkunsten zijn daarin heel waardevol. Het laat zien hoe mensen zich bewegen in het amateurveld: als speler, als deelnemer, als lid van een gemeenschap. Juist de verbinding tussen amateurtheater en opleidingen biedt grote kansen.
Ik geloof niet in strikte scheidingen tussen rollen. Acteur, docent, regisseur, speler – die splitsingen leveren weinig op. Het wordt veel rijker als je alles door elkaar mag laten lopen en ziet als één groot ontwikkelterrein.
Tot slot is balans essentieel: tussen product en proces. Soms ligt de focus te sterk op de voorstelling, “op 23 mei moet het af zijn”, terwijl de echte waarde vaak in het proces zit. Dáár gebeurt de ontwikkeling.
En dat raakt ook aan waar ik nu sta. Dit is mijn laatste werkjaar. Op 8 mei neem ik afscheid, met een reünie. Het is een moment om stil te staan bij de beweging van mijn leven: met wie ik dit heb gedaan, waar dat was en welke waarde het heeft gehad. Even vertragen en de vraag toelaten: wat heb je gedaan, meneer Prinsen?
Die reflectie voelt net zo wezenlijk als het spelen zelf.
theater
LEX
"Mijn liefde voor theater begon op de middelbare school, in 4 havo."
Wat is jouw amateurkunst?
Mijn liefde voor theater begon op de middelbare school, in 4 havo. Voor het vak Nederlands maakten we een toneelstuk over de wereldsituatie. De docent had het stuk bedacht en ging het met ons instuderen. Ik speelde een soort narretje met een dobbelsteen. Wat me vooral raakte, was niet zozeer het spelen zelf, maar het beeld van die docent die met mensen aan het ‘toveren’ was. Hij bracht iets in beweging. Dáár ging ik op aan.
Dat gevoel liet me niet meer los. Ik ben daarna veel gaan spelen, schreef me in voor vooropleidingen, onder andere aan de Academie voor Expressie in Utrecht – soms ingeloot, soms uitgeloot – en volgde lessen bij verschillende centra voor de kunsten. Het spelen werd een belangrijk onderdeel van mijn leven.
Na veertig jaar ben ik nog steeds liefhebber, maar inmiddels ook professional. Ik ben mijn brood gaan verdienen met theater: ik geef les aan studentenopleidingen, regisseer en maak jaarlijks voorstellingen met amateurspelers. Het spelplezier is altijd gebleven, alleen is mijn rol in de loop der jaren breder geworden.
Wat brengt amateurkunst onze samenleving volgens jou?
Acteren heeft een enorme impact gehad op mijn persoonlijke ontwikkeling. Het gaf me de ruimte om mezelf te onderzoeken, te experimenteren op de vloer en te ervaren hoe je dichtbij en juist weer verder af van mensen kunt komen. Amateurkunst gaat voor mij over gemeenschap, identiteit en verbinding.
Die gemeenschap bestaat niet alleen uit spelers. Het zijn ook de cirkels die rondom theater ontstaan: de parkeerwacht bij het dorpshuis tijdens een festival, de mensen achter de bar, het publiek dat ieder jaar terugkomt. Alles en iedereen hoort erbij. Het is een continue dialoog. De helden staan misschien op het podium, maar soms is de ster het publiek, of een kostuum, of iemand die achter de schermen alles mogelijk maakt.
Lange tijd dacht ik dat ik vooral speler of regisseur wilde worden. Het docentschap riep in eerste instantie weerstand op. Maar toen ik ’s avonds bij het Nationaal Theater met jongeren werkte, ontdekte ik iets essentieels. We werkten daar niet product- of resultaatgericht. Het ging om ontwikkeling: wat iemand persoonlijk meemaakte, hoe krachtig en gretig jongeren het spel gebruikten voor zichzelf. Dat moment herinnerde me eraan: spelen ís persoonlijke groei.
Vanaf dat moment werd regisseren voor mij een dubbelrol. Enerzijds iemand uit de comfortzone halen, anderzijds stilstaan bij wat iemand net gedaan heeft en de waarde daarvan benoemen. Het echte, het persoonlijke dat iemand van zichzelf in het spel legt, dát is waar amateurkunst in de samenleving zo’n grote betekenis heeft.
Welke andere amateurkunstenaar zou je graag een podium willen geven?
Mijn dochter deed ooit mee aan een project waarin jongeren konden snuffelen aan het makerschap. Ze zocht een acteur en ik stak mijn vinger op. Opeens stond ik weer zelf op de vloer: teksten onthouden, zoeken, aftasten. Het was bijzonder om als oud-docent weer in die verkennende rol te stappen en te ervaren hoe kwetsbaar en waardevol dat proces is.
Daarnaast geef ik natuurlijk letterlijk een podium aan de spelers met wie ik werk in Deventer. Het is ongelooflijk leuk om samen voorstellingen te maken, te onderzoeken hoe je met tekst omgaat en hoe je je lichaam gebruikt. Zij maken gebruik van mijn professionaliteit als regisseur en docent, maar tegelijkertijd ben ik zelf ook continu aan het zoeken en leren. Die gelijkwaardigheid houdt het levend.
Wat heb je nodig om te floreren in je amateurkunst?
Voor mij is het belangrijk dat we, zeker binnen opleidingen, niet alleen zoeken naar de identiteit van iemand als maker, maar ook naar de verbinding met de samenleving. Welke waarde brengen we met kunst? Welke beweging veroorzaken we? Dat vraagt om luisteren, kijken en observeren wat er om je heen gebeurt.
Initiatieven zoals een Dag voor de Amateurkunsten zijn daarin heel waardevol. Het laat zien hoe mensen zich bewegen in het amateurveld: als speler, als deelnemer, als lid van een gemeenschap. Juist de verbinding tussen amateurtheater en opleidingen biedt grote kansen.
Ik geloof niet in strikte scheidingen tussen rollen. Acteur, docent, regisseur, speler – die splitsingen leveren weinig op. Het wordt veel rijker als je alles door elkaar mag laten lopen en ziet als één groot ontwikkelterrein.
Tot slot is balans essentieel: tussen product en proces. Soms ligt de focus te sterk op de voorstelling, “op 23 mei moet het af zijn”, terwijl de echte waarde vaak in het proces zit. Dáár gebeurt de ontwikkeling.
En dat raakt ook aan waar ik nu sta. Dit is mijn laatste werkjaar. Op 8 mei neem ik afscheid, met een reünie. Het is een moment om stil te staan bij de beweging van mijn leven: met wie ik dit heb gedaan, waar dat was en welke waarde het heeft gehad. Even vertragen en de vraag toelaten: wat heb je gedaan, meneer Prinsen?
Die reflectie voelt net zo wezenlijk als het spelen zelf.